built with indexhibit

http://www.nandameijer.com/files/gimgs/th-24_deval.jpg

De val

Het was nacht en we dronken en we feesten en zaten bij de zelf in elkaar gezette houtkachel. We lachten en we praten overvloedig over een andere wereld. Een wereld waar mensen niet bestonden en de dieren het rijk alleen hadden samen met de bomen en de planten. We namen ieder ons eigen alter ego aan. Zij was een bloem, hij was boom met nog twee andere die wij niet konden zien, maar we noemden hem toch maar het bos. Ik was uiteraard een panda en die ene lange jongen met een dubbele naam veranderde in water. Zo praatten we verder in code, metaforische en bedachte zinnen en woorden die zo snel als de drank ons binnendrong, naar buiten rolde. We aten vierkante zelfgebakken pizza's. Het bos gooide een onaffe deegplak oftewel een bal om plat te rollen tegen een van de velen muren van het oude fabriekspand. Dit uiteraard met toestemming van de landheer die met zijn lasapparaat de smeulende kolen en het verse Ikea hout probeerde op te starten tot een nieuw vuur.

De nacht vorderde. Het idee van de andere wereld was nog niet verlaten al werden er stiekem hier en daar wat verhalen verteld over het leven als mens. Zo ook bracht het mij en de bloem in de verleiding een gesprek te voeren over doodnormale dingen, zoals avondvierdaagsen en rug en nekpijn. Dit werd slecht ontvangen door het water oftewel de lange jongen met de dubbele naam. Hij treurde en zeurde iets waarna wij alleen nog zonder zijn bijzijn praatten over kiespijn en keukenzeefjes.

We lachten allemaal nog steeds en de miscommunicaties namen toe. Een deel van het wat verwarde feestpubliek staarde af en toe weg naar een andere wereld, maar dan niet die van de dieren, maar die van dromen en schimmen van hun eigen creatie. Dit was vanavond geen probleem, want het kon toch al niet meer raarder worden.

Er werd gedanst. We sprongen met vijf man in het rond op muziek die veel te snel ging en wat werd afgewisseld met deuntjes uit de jaren 50. Je hoorde de voeten schuiven en stampen op de vloeren van het atelier wat nu werd beschouwd als een speeltuin. Tijdens het bewegen van onze lichamen, wikkelde we elkaar in met kachelisolatie materiaal en rolde hier weer uit waarna het door de lucht vloog als een zilveren flexibele glijbaan. Er kwam een fles met bruine rum aan en het bier stond nog steeds in overvloed in de kratten voor het grijpen.

De boom, oftewel het bos stond met een balletje tegen de muur aan te gooien tot het punt dat de verveling hem van deze handeling overviel. Hij voelde zich goed, zelfs nu met zijn andere bomen erbij. Het bos was gelukkig. We waren allemaal gelukkig. Het bos pakte een van de nog drie aanwezige vrouwen op en begon haar in de rondte te zwieren. Eenmaal uitgedraaid stonden ze tegenover elkaar te lachen. Dat was leuk. Ik, me nog steeds gedragende als een halve panda maar die wel wat genoeg had van deze grap liep het atelier binnen voor een sprongetje hier en een schuiveltje daar. Het bos liep op mij af en gooide mij over zijn schouder. Als helikopterwieken draaide ik boven hem uit. Al hoewel ik lol had met het draaien door de rokerige lucht, voelde ik dat er iets mis was. Hij moest mij loslaten, laat me los, zet mij neer. Deze gedachten werd gevolgd door een harde donderslag die alleen ik op dat moment kon horen en voelen. Een stekende pijn schoot door mijn lichaam. Het bos was al naast mij gekropen om de schade op te nemen. Ging het met mij en waar had ik pijn? Ja, in mijn hoofd natuurlijk. Toen ik met mijn hand naar het voorwerp achter mij taste, voelde ik de ijzeren op spijlen lijkende delen van een radiator. Inmiddels zat nu ook de landheer met het eerder gedraaide meisje hurkend naast mij op de grond. ‘’Laat is kijken, laat eens zien.’’

Ik voelde de pijn overgaan in een zware bonzende beat in mijn hoofd. De muziek was inmiddels afgelopen. Ik voelde met mijn hand aan mijn hoofd waar de pijn eerder vandaan kwam. De mensen om me heen vroegen nog steeds naar mijn gesteldheid en boden mij drank aan voor de pijn en/of de schrik. Ik haalde de hand terug van mijn achterhoofd en keek ernaar. Bloed, nee! ik wil geen bloed, bloed is geen goed teken! Door de opkomende hysterische gevoelens begon ik wat te huilen, net als vroeger. Na tien keer de zin, het valt wel mee, te hebben gehoord begon in me weer wat nuchterder te voelen. Ik nam de biertjes die mij werden aangereikt voor een slok gretig aan en dronk met volle teugen.

De bloem was het atelier binnengelopen en zag mijn hoofd. Ze begon me meteen te vertroetelen en dezelfde zin als eerder kwam ook meerdere malen uit haar mond, het valt wel mee. Het bos zat op de grond met zijn hoofd in zijn handen. Hij voelde zich meer dan schuldig en kon zich geen andere houding meer aannemen dan deze. Het maakte mij verdrietig. Ik was niet boos op hem en dus hield ik me groot en ging rustig aan mijn spullen pakken om naar huis te gaan waar de bloem mij verder zou verzorgen. Na het aantrekken van mijn jas en het pakken van mijn tas gaf ik het bos een grote knuffel en zei hem geen zorgen te maken en dat alles goed was.

Het regende buiten. Toen we aankwamen bij mijn huis schonk ik nog een glas wijn in die nog op tafel stond van de avond ervoor. Ik maakte ruimte vrij om te kijken op mijn achterhoofd. Alle haren opzij zodat de bloem mij is goed kon inspecteren. Ja inderdaad er zat een flinke snee waar ze het telkens over had mbv het woord ‘jaap’. Maar moesten we nou naar het ziekenhuis? Gelukkig had de bloem maar liefst twee ouders in de verpleging en ongeacht het tijdstip werden ze allebei gebeld. Vader nam niet op, moeder wat verward. Ze stelde een paar medische vragen en vervolgde dit met het advies naar de EHBO te gaan. Mijn paniek was soms niet meer te voelen wat ik eigenlijk wel prettig vond. Ik maakte me eerder druk over de kosten van deze rariteiten. Het ziekenhuis was hier niet heel ver vandaan. Tenminste dat dachten we. Weer na het bellen van vier mensen kregen we iemand aan de telefoon uit Haarlem die voor ons kon opzoeken waar we dit ziekenhuis dan wel niet konden vinden. Dit was voor ons een probleem aangezien internet ver te bekennen was binnen de muren van mijn huis. Soms lachten we nog steeds, maar nu eerder uit misère.

We stapten in de nu inmiddels harde regenbui op de fiets op weg naar het Oosterpark, waar we het ziekenhuis moesten vinden. Het begon steeds harder te regenen. We konden het niet vinden.. De auto's reden door en het bloed regende langs de zijkant van mijn hoofd. Uiteindelijk een meneer die zijn autoraam naar beneden draaide om ons te weg te wijzen. ‘’Waar is het ziekenhuis?’’ We stonden er al de hele tijd praktisch naast. Zo verspilde we onze tijd goed.

We liepen het ziekenhuis binnen. Ik drukte mijn camera alvast in de handen van de bloem. Ik wilde dit niet vergeten. We liepen door naar de wachtkamer waar een drukke man ons zei te gaan zitten. Hij was een medebezoeker en had zich te goed gedaan aan iets te veel verdovende middelen. Toch zeer overtuigd van zijn bevel gingen de bloem en ik zitten. De doktoren en zusters riepen ons weer naar de balie waarna we van de nu door de kamer stuiterende man weer moesten gaan zitten. Heel verwarrend allemaal.

De zuster keek naar mijn hoofd en zei, ‘’ja’’. Na deze ja wees ze mij een bed in de witte steriele zaal. Links achter een van de gordijnen hoorde we gegiebel en gepraat. We keken er omheen en er werd gejoeld en geschreeuwd. Zusters kwamen langs om ons te dimmen. Daar op het bedje zaten oude bekenden van de bloem. Ik kende alleen de taxi van het gewonde meisje dat met een druipende kin op één van de bedjes zat. Er werd nog wat gegild hier en daar totdat de dokter eraan kwam. Hij zou eerst het meisje op het bed en de taxi gaan helpen. Als een papieren kunstwerk werd het meisje met een medische lijm dichtgemaakt terwijl ze vragen kreeg over waar de val was en of ze enige tijd terug nog in een ver land was geweest.

Omdat ze ons hadden laten kijken wilde ze weten hoe ze mijn hoofd dicht gingen plakken. Ik boog voorover en voelde wat prikken. De dokter maakte zo nu en dan een vermakelijk grapje en de zuster hielp hem aan zijn zijde. Hij gaf mij een hand terwijl ik mijn ogen nog op de vloer had gericht en liet de zuster verder de knopen in mijn haar maken als extra hechtmiddel. Ik kreeg dezelfde vragen als het meisje op het bed waaruit ik nog een mooie tetanusprik aan overhield. Met een pamflet in mijn hand mocht ik het ziekenhuis weer verlaten. Ik vond het allemaal zo vreselijk. Ik mag een week mijn haar niet wassen.

We sliepen bij de bloem. We kwamen aan bij haar huis om half acht in de ochtend. De wijn werd alweer tevoorschijn getoverd en de bloem dronk hier nog wat van. Ik kon niet meer. Mijn hoofd deed pijn. De volgende dag of eigenlijk nog diezelfde dag stond ik onder de douche en spoot wat shampoo in mijn handen. Ik dacht nog aan een eerder gesprek op school over een eerder ontstaan gat in mijn voorhoofd. Hier aan denkend smeerde ik de shampoo over mijn schouders maar ik lachte nog steeds.

Eerlijke bedrieger